Dit artikel beschrijft hoe je de vereisten van § 14a EnWG (netgeoriënteerde aansturing) implementeert bij de installatie van laadinfrastructuur met het reev EMS. Je leert welke voorwaarden van toepassing zijn, hoe de bedrading van het stuursignaal via de Teltonika Gateway verloopt en hoe je de inbedrijfstelling uitvoert.
Doel en voordelen
Het reev EMS maakt het mogelijk te voldoen aan de wettelijke vereisten van § 14a EnWG voor regelbare verbruiksapparaten. De verantwoordelijke distributienetbeheerder (DNB) kan via een stuursignaal het laadvermogen tijdelijk verlagen om overbelasting van het elektriciteitsnet te voorkomen. In ruil daarvoor profiteren exploitanten van verlaagde nettarieven.
Tariefopties voor verlaagde nettarieven
Exploitanten van laadinfrastructuur kunnen kiezen uit twee modules:
Module 1: Een forfaitaire korting op het nettarief per aansluitpunt. Het bedrag varieert per DNB en ligt doorgaans tussen € 110 en € 160 bruto per jaar.
Module 2: Een verlaging van het nettarief met 60% per aansluitpunt. Voorwaarde is dat de laadinfrastructuur via een eigen, afzonderlijke elektriciteitsmeter is aangesloten.
Tip: Bij het plannen van nieuwe laadpunten dient de laadpuntbeheerder vroegtijdig contact op te nemen met de verantwoordelijke DNB en een verlaging van de nettarieven aan te vragen. Bestaande installaties kunnen vrijwillig worden geregistreerd om eveneens van de verlaagde tarieven te profiteren.
Juridische context
§ 14a EnWG verplicht exploitanten van niet-openbare laadinfrastructuur met een nominaal vermogen van meer dan 4,2 kW per laadpunt om hun installatie toegankelijk te maken voor netgeoriënteerde aansturing door de DNB. De regeling is van kracht sinds 1 januari 2024 voor alle op het laagspanningsnet aangesloten laadpunten. De concrete technische vereisten worden vastgesteld door de betreffende DNB.
Waarschuwing: reev biedt geen juridisch advies en is niet bevoegd om aanbevelingen voor actie te doen. Informeer bij de verantwoordelijke DNB naar de geldende vereisten in jouw netgebied. De verantwoordelijkheid voor een correcte implementatie ligt bij de installatie-exploitant en de uitvoerende elektrotechnisch vakman.
Voorwaarden
Aan de volgende voorwaarden moet vóór de installatie zijn voldaan:
Actieve reev licentie voor de locatie.
Geïnstalleerde en geconfigureerde Teltonika Gateway (aanbevolen: RUT240, RUT241, RUT300 of RUT956) met I/O-adapter.
Bestaande internetverbinding (LAN of LTE) bij de gateway.
Voltooide registratie van het regelbare verbruiksapparaat bij de verantwoordelijke DNB.
Informatie van de DNB over de gebruikte aanstuurmethode (tonfrequent-ontvanger, Smart Meter Gateway of andere methode).
Meterkast is conform de specificaties van de DNB voorbereid voor de installatie van de tonfrequent-ontvanger.
Technisch concept
Werking van de aansturing
De technische methode voor de implementatie van de tijdelijke vermogensreductie is momenteel niet uniform gestandaardiseerd. De afstemming vindt per geval plaats met de verantwoordelijke DNB.
Het reev EMS ondersteunt netaansturing via een potentiaalvrij relaiscontact dat is aangesloten op de I/O-adapter van de Teltonika Gateway. De gateway stuurt het signaal door naar het cloudgebaseerde reev EMS. Het reev EMS verlaagt vervolgens via OCPP het laadvermogen van alle laadpunten op de locatie tot het wettelijk voorgeschreven minimum (4,2 kW per laadpunt).
Aanstuurmethoden van de DNB
Het reev EMS is compatibel met de volgende methoden:
Methode 1 – Tonfrequent-ontvanger (RSE): Het stuursignaal wordt via het elektriciteitsnet of radionetwerk naar een tonfrequent-ontvanger verzonden. Het relaiscontact van de RSE wordt verbonden met de I/O-adapter van de Teltonika Gateway.
Methode 2 – Smart Meter Gateway (SMGW): Het stuursignaal wordt via een SMGW naar een stuurbox verzonden. Het relaiscontact van de stuurbox wordt verbonden met de I/O-adapter van de Teltonika Gateway.
Opmerking: Controleer bij de DNB welke aanstuurmethode in jouw netgebied van toepassing is voordat je met de installatie begint.
Hardware- en bedradingsvereisten
Benodigde componenten
De volgende componenten zijn nodig voor een § 14a-conforme installatie:
Teltonika Gateway (RUT240/241/300/956) met I/O-adapter
Tonfrequent-ontvanger (RSE) of stuurbox (afhankelijk van de vereisten van de DNB)
Stuurkabel en bedradingsmateriaal (kabels, klemmen)
Tip: Er zijn geen extra hardwarecomponenten nodig naast de RSE of stuurbox, mits de Teltonika Gateway met I/O-adapter al op de locatie is geïnstalleerd.
Bedrading van het relaiscontact
Leg de stuurkabel van het relaiscontact van de stuureenheid (RSE of stuurbox) naar de I/O-adapter van de Teltonika Gateway. Gebruik daarbij de volgende pintoewijzing:
Table
Aansluiting | Pin op I/O-adapter | Functie |
Relaiscontact – Ader 1 | Pin 3 | Digitale ingang (Digital Input) |
Relaiscontact – Ader 2 | Pin 1 | +VDC (voedingsspanning) |
Waarschuwing (rood – callout-box): Zorg ervoor dat het relaiscontact potentiaalvrij is. Een verkeerde aansluiting kan de I/O-adapter of de gateway beschadigen.
Stapsgewijze handleiding: Installatie en inbedrijfstelling
Ga bij de installatie en inbedrijfstelling als volgt te werk:
Zorg ervoor dat de Teltonika Gateway is geïnstalleerd, met internet is verbonden en in het reev EMS is geregistreerd.
Bereid de meterkast voor conform de specificaties van de DNB voor de installatie van de RSE of stuurbox.
Monteer de tonfrequent-ontvanger (RSE) of stuurbox conform de specificaties van de DNB.
Leg de stuurkabel van het relaiscontact naar de I/O-adapter van de gateway.
Sluit het potentiaalvrije relaiscontact aan op de I/O-adapter (Pin 3 = Digitale ingang, Pin 1 = +VDC).
Controleer de bedrading op correcte polariteit en stevige klemverbindingen.
Test het stuursignaal: activeer het relais handmatig en controleer of het signaal in het reev EMS aankomt.
Controleer in het reev Platform onder Energiemanagement -> Live Monitoring of het laadvermogen zoals verwacht tot het minimum wordt verlaagd.
Controlelijst na inbedrijfstelling
Controleer na afronding van de installatie de volgende punten:
Gateway is online en verbonden met het reev EMS.
Relaiscontact is correct aangesloten op pin 3 en pin 1 van de I/O-adapter.
Handmatige signaaltest was succesvol (laadvermogen is verlaagd).
Live monitoring toont de correcte status.
Registratie bij de distributienetbeheerder
De registratie van het regelbare verbruiksapparaat bij de DNB valt onder de verantwoordelijkheid van de installatie-exploitant. In de regel zijn daarbij de volgende stappen vereist:
Aanmelding van het regelbare verbruiksapparaat bij de verantwoordelijke DNB (vóór of tijdens de installatie).
Bewijs van technische regelbaarheid (bijv. via het installatieprotocol).
Bevestiging door de DNB en indien van toepassing activering van de verlaagde nettarieven.
Opmerking: De exacte vereisten en formulieren variëren per DNB. Neem vroegtijdig contact op met de DNB om vertragingen te voorkomen.
Probleemoplossing
Probleem | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
Stuursignaal komt niet aan in het reev EMS | Onjuiste bedrading bij de I/O-adapter | Controleer de aansluiting op pin 3 en pin 1. Zorg ervoor dat het contact potentiaalvrij is. |
Laadvermogen wordt niet verlaagd | Gateway offline | Controleer de internetverbinding van de gateway en de status in het reev Platform onder Energiemanagement -> Live Monitoring. |
Signaal wordt herkend, maar laadpunten reageren niet | OCPP-verbinding tussen reev EMS en laadpunten verstoord | Controleer of de laadpunten online zijn en correct zijn geconfigureerd in het reev EMS. |
Gateway toont geen wijziging van de digitale ingang | Relais defect of verkeerd geschakeld | Test het relais afzonderlijk en vervang het indien nodig. |
Tip: Neem bij problemen met de reev EMS-configuratie contact op met reev Support.
Veelgestelde vragen
Is er extra hardware nodig naast de Teltonika Gateway?
Nee. Mits de Teltonika Gateway met I/O-adapter al op de locatie is geïnstalleerd, is alleen de tonfrequent-ontvanger of de stuurbox van de DNB nodig. Er zijn geen extra hardwarecomponenten vereist.
Tot welke waarde wordt het laadvermogen verlaagd bij ontvangst van een stuursignaal?
Het reev EMS verlaagt het laadvermogen tot een minimum van 4,2 kW per laadpunt, zoals wettelijk voorgeschreven.
Kan het reev EMS ook zonder RSE worden gebruikt voor § 14a?
Ja. Naast de RSE ondersteunt het reev EMS ook aansturing via een Smart Meter Gateway (SMGW) met stuurbox. Het potentiaalvrije contact wordt in beide gevallen op identieke wijze op de Teltonika Gateway aangesloten.
Wat gebeurt er als de internetverbinding van de gateway wordt onderbroken?
Het reev EMS stelt via OCPP terugvalwaarden (Smart Charging Profile) in op de laadpunten. In een offline-situatie laden voertuigen op met een veilige, vooraf ingestelde maximale waarde.
Moet de installatie-exploitant de installatie bij de DNB aanmelden?
Ja. De aanmelding van het regelbare verbruiksapparaat bij de DNB is verplicht en valt onder de verantwoordelijkheid van de installatie-exploitant.
Welke Teltonika-modellen zijn compatibel?
De aanbevolen en geteste modellen zijn de RUT240, RUT241, RUT300 en RUT956. In principe zijn alle Teltonika RUT-modellen compatibel met het reev EMS.
